Werking wordt daarna in een computer verwerkt tot

Werking van
MRI

Een MRI-apparaat is gebaseerd op dezelfde technieken als de
voorheen gebruikte NMR-apparaten.

We Will Write a Custom Essay Specifically
For You For Only $13.90/page!


order now

Isotopen met een oneven aantal kerndeeltjes, zoals waterstof,
fosfor en stikstof, hebben een magnetisch veld. Een kernspin, een magnetisch
deeltje, kan met het magnetische veld mee bewegen of er tegenin. Dit heet een
kwantumeffect, er zijn geen tussenstanden mogelijk. Tussen deze twee toestanden
bestaat wel een energieverschil, maar deze is afhankelijk van de sterkte van
het magneetveld.

Wanneer de kern wordt blootgesteld aan elektromagnetische
straling met de precieze goede hoeveelheid energie, dan kan de spin hierdoor
omklappen. De gebruikte kern valt na een bepaalde tijd weer terug in de
zogenaamde grondtoestand bij het uitzenden van een foton. Een gradiënt geeft de
richting aan waarin een functie het sterkst varieert en de grootte ervan. Door
de gradiënt, in de sterkte van het magneetveld te maken, vervolgens de
waterstofkernen aan te slaan en dan te meten hoeveel straling van verschillende
golflengten terugkomt van de terugvallende spins, kom je te weten te komen op
welke plaats hoeveel waterstofkernen zitten.

De enorme hoeveelheid aan metingen wordt daarna in een
computer verwerkt tot een 3-dimensionale afbeelding dat, bijvoorbeeld, het
waterstofgehalte van de weefsels van de patiënt afbeeldt. Aangezien allerlei
soorten weefsel verschillende waterstof dichtheden hebben kunnen details van de
anatomie worden gezien. Bloed is bijvoorbeeld te onderscheiden van vet en van orgaanweefsel
en wordt daarom met een andere kleur vertoond op de afbeelding.

Van
andere weefseleigenschappen is ook een afbeelding te maken. Je kan bijvoorbeeld
T1 meten. T1 is de tijd waarin de spin component in de lengte voor 63%
herstelt. Dit is wel afhankelijk van de snelheid waar de waterstofkernen mee in
het weefsel hun spin energie afstaan in een vorm van warmte. Ook is T2 te
meten. T2 is de tijd dat het duurt voordat de transversale component voor 63%
vervalt en dan dat vervolgens meten. De metingen van T1 geeft vetweefsel een
hoog signaal en daardoor wordt het op de afbeelding wit vertoond. Bij de T2
metingen geven vocht en andere lichaamsvloeistoffen een hoog signaal. Een T1 of
T2 gemeten afbeelding kan worden gemaakt door de echotijd en repetitietijd in
te stellen. De echotijd is de tijd tussen de RF-puls en het centrum van de
acquisitietijd van de echo. Elk paar RF-pulsen maakt een spin echo en elke set
pulsen geeft een gesimuleerde echo. De acquisitietijd is de tijd die een gps
nodig heeft om een positie te bepalen. Dat is dus de tijd om bijvoorbeeld een
tumor te vinden. Om een goed beeld te krijgen van de gevonden plek, snijdt de
computer de scan van het lichaam of hoofd als het ware in plakjes. Naar keuze
kunnen die dan in die verschillende richtingen worden bekeken. Dit kan
sagittaal (een verticale dwarsdoorsnede van achter naar voor), frontaal (een
verticale dwarsdoorsnede vanaf het voor- of achteraanzicht) of transversaal
(een horizontale dwarsdoorsnede). Tegenwoordig kan elk vlak onder verschillende
hoeken worden bekeken. De computer kan de gegevens snel veranderen, zodat de
scan op een andere manier gepresenteerd kan worden. De enige beperkende factor
hierbij is een benodigde rekentijd. Zelfs 3-dimensionale weergaven van bepaalde
delen van het lichaam zijn mogelijk